Beroepsmiddelen

Rechterlijke controle op de overheidsopdrachten

De rechterlijke controle op de gunning en uitvoering van overheidsopdrachten behoort tot de bevoegdheid van:

  • de Raad van State en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen: voor geschillen betreffende de wettigheid van de handelingen;
  • de gewone burgerlijke rechtscolleges: voor geschillen betreffende burgerlijke rechten (vergoedingen, geschillen bij de uitvoering van opdrachten).

De Raad van State

Als rechtscollege is de Raad van State bevoegd voor:

de vernietiging van administratieve handelingen (individuele rechtshandelingen of reglementen en niet het contract) wanneer:

  1. deze handelingen op onregelmatige wijze zijn gesteld (vb.: het  bestuur heeft gekozen voor een onderhan¬delings-procedure zonder bekendmaking die niet kan worden verantwoord op basis van de in de wet vermelde gevallen) ;
  2. de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen niet zijn nageleefd (vb.: een aankondiging van opdracht werd niet gepubliceerd alhoewel dit verplicht was);
  3. de optredende overheid haar bevoegdheid heeft overschreden (vb.: de kennisgeving werd ondertekend door een personeelslid dat terzake geen bevoegdheidsdelegatie geniet) of machtsafwending heeft begaan (vb.: hypothese van de belangenvermenging).

de schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve handeling waarvan de verzoeker bovendien de nietigverklaring moet vorderen. De schorsing veronderstelt dat:

  1. ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring kunnen rechtvaardigen;
  2. de onmiddellijke uitvoering van de handeling een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

    De vordering tot schorsing kan de vorm aannemen van een gewone vordering tot schorsing of een vordering die behandeld wordt volgens de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid.

    Het was de wil van de Belgische wetgever om, bij artikel 21 bis van de wet van 24 december 1993 dat de specifieke rechtsbescherming inzake overheidsopdrachten regelt, uitsluitend het gebruik van de uiterst dringende rechtspleging op te leggen aan de kandidaten en inschrijvers die een schorsingsberoep wensen in te stellen tijdens de wachttermijn tussen de toewijzing en de kennisgeving van de toewijzingsbeslissing (= gunning).

de veroordeling tot het betalen van een dwangsom (bedrag te storten aan een Fonds voor het beheer van de dwangsommen), een maatregel in bijkomende orde opgelegd door de rechter van de kamer die de vernietiging heeft uitgesproken.

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

Het Hof van Justitie ziet toe op de naleving van het recht bij de interpretatie en de toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en het afgeleid recht.

Over het algemeen kunnen geschillen inzake overheidsopdrachten via twee instanties aanhangig gemaakt worden bij het Hof van Justitie:

  • via de Europese Commissie, om de veroordeling van een lidstaat te bekomen wegens schending van de beginselen van het Verdrag of van het gemeenschapsrecht dat daaruit voortvloeit (Europese richtlijnen, Europese verordeningen, ...).

    Indien het Hof van Justitie in zijn arrest erkent dat een lidstaat (en, via deze lidstaat, een bestuur dat onder zijn gezag staat) zijn verplichtingen niet heeft nagekomen, moet deze lidstaat (en diens rechtscolleges) de nodige maatregelen nemen ter uitvoering van het arrest.

    De Voorzitter van het Hof kan, in het kader van voorlopige maatregelen, de opschorting van tenuitvoerlegging van de aangevochten handeling bevelen.
    Ten slotte kan het Hof, als de schending voortduurt, een dwangsom opleggen;
  • via een rechtscollege van een lidstaat dat een prejudiciële vraag stelt over de juiste interpretatie van een bepaling van het Verdrag of van het gemeenschapsrecht dat daaruit voortvloeit, om een geschil te kunnen beslechten dat hem is voorgelegd.

De gewone burgerlijke rechtscolleges

De gewone rechtscolleges zijn als enige bevoegd om zich uit te spreken over geschillen betreffende de subjectieve rechten (artikelen 144 en 145 van de Grondwet), die van burgerlijke aard zijn, in het kader van de gunning en uitvoering van overheidsopdrachten.

Wat de burgerrechtelijke gevolgen van een onregelmatigheid betreft die plaatsvindt in het stadium van de gunning van een opdracht (zoals de wederrechtelijke afwijzing van een aanvraag tot deelneming en dus het verlies van een kans, de niet-toewijzing aan de laagste of meest interessante regelmatige offerte,...), wordt de rechtsvordering ingesteld door de afgewezen kandidaat respectievelijk inschrijver.

Rechtsvorderingen met betrekking tot de uitvoering van de opdracht worden ingesteld door de aannemer of door de aanbestedende overheid, naargelang het geval. Indien de aannemer de zaak aanhangig maakt bij de rechtbank, moet de dagvaarding hieromtrent, op straffe van verval, aan de aanbestedende overheid worden betekend binnen een termijn van twee jaar volgend op de datum van betekening van het proces-verbaal van de definitieve oplevering van de opdracht (art. 18, § 2, van de algemene aannemingsvoorwaarden die de bijlage vormen van het KB van 26 september 1996).

De Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg, aan wie de zaak is voorgelegd in kort geding of, in geval van absolute noodzaak, bij verzoekschrift, doet uitspraak bij voorraad in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.

Economie

Niet gevonden wat u zocht?